Aisha_Skype_profile_picture.png

Aisha Walakutty

Head of Client

RelationShip Management

JE DOET HET GOED OF JE DOET HET NIET

Wat begon als een bijbaantje in afwachting van de start van haar nieuwe opleiding groeide uit tot een volwaardige carrière bij een internationaal softwarebedrijf. ‘Mijn moeder zegt altijd; Molukkers zijn als bamboe. Of je buigt mee, of je breekt op een keer. Maar tot die tijd kun je heel veel weerstaan en doorstaan. Ik denk dat ik daardoor zo ver gekomen ben in mijn werk.’ Aisha Walakutty is 29 jaar, werkt als Head of Client Relationships Management en woont samen met haar verloofde, Marc, en dochter, Lizzy Lois, in Culemborg.

‘Eigenlijk wilde ik heel graag modeontwerpster of advocate worden. Met mijn ouders besprak ik wat wijsheid was. Mijn moeder adviseerde te kiezen voor de optie met de meeste zekerheid. Mijn moeder werkte als juridisch secretaresse en uiteindelijk ben ik hierdoor rechten gaan studeren. Ik wilde de wereld verbeteren en ik dacht dat dit te kunnen doen door advocate te worden. Ik dacht dat recht ging over rechtvaardigheid en eerlijkheid. De studie ging me goed af. Ik haalde goede cijfers en had het naar mijn zin. Maar al snel kwam ik erachter dat mijn studie vooral ging over het zoeken naar de mazen in de wet en het spelen van spelletjes. Het gaat er helemaal niet om dat eerlijkheid overwint en het recht zegeviert! Dat botste erg met mijn gevoel. Toen ik op de vooravond van de volgende tentamenweek besefte dat dit echt niet bij mij paste en ik niet nog jaren zo door wilde gaan, ben ik huilend naar mijn moeder gegaan. Zij begreep ook dat dit mij niet gelukkig maakte. Ik besloot van studie te wisselen. Event-management leek me wel wat, dus ik schreef me in voor de opleiding. De startdatum lag in het volgende jaar en ik dacht dat ik tot die tijd lekker kon chillen en leuke dingen kon gaan doen, maar daar dacht mijn moeder duidelijk heel anders over. “Beter zoek je een baantje tot die tijd!”
Via het uitzendbureau kwam ik terecht bij een softwarebedrijf. In eerste instantie had ik geen idee wat ze daar allemaal deden! Ik ben gaan solliciteren en werd diezelfde dag nog aangenomen. Met de woorden van mijn vader “je doet het goed, of je doet het niet”
ben ik begonnen als commercieel medewerker en heb me hier door de jaren heen ontwikkeld tot Office Manager. Office Management bestond er vroeger uit drie mappen maar is inmiddels uitgegroeid tot een hele afdeling! Ik heb me in de loop der jaren gespecialiseerd in klantenbeheer. Daar kwamen mijn Molukse roots heel goed bij van pas. Ik kan goed luisteren naar mensen en heb, zoals mijn collega’s zeggen, ‘engelengeduld’. Op de werkvloer had niemand dat engelengeduld om met klanten echt het gesprek aan te gaan, wanneer nodig de schuld op je te nemen en het gesprek een positieve twist te geven. Hier zie ik de Bamboe metafoor van mijn moeder in terug, voornamelijk als het gaat om het meebuigen en soms door het stof moeten gaan. Alles om de relatie te laten groeien of soms ook te herstellen. Ik vind dat iets wat ik heel erg herken in de Molukse cultuur.’

 

WITTE OPA EN OMA, BRUINE OPA EN OMA

Aisha’s Molukse roots liggen aan haar vaders kant. ‘Mijn vader Steve Panus Walakutty is in Sittard geboren, toen opa en oma Walakutty in kamp Graetheide woonden. Mijn vaders vader, opa Dick, komt van Kampong Karlutu Warasiwa op Seram. Later is de familie van mijn vader verhuisd van kamp Graetheide naar Tiel. Mijn moeder, Marga Walakutty-Vroege is hier in Culemborg geboren, in dezelfde straat als waar ik nu woon.  Mijn ouders hebben elkaar ontmoet in de roaring seventies. Mijn witte opa zei destijds plagend tegen mijn moeder: ‘Wat er ook gebeurt als je maar niet thuiskomt met zo’n Molukker uit Tiel.’ En dat was dan dus ook precíes waar ze wel mee thuiskwam’, zegt ze hardop lachend! ‘Mijn vader komt uit een groot gezin, twee broers en zes zussen. Wij vinden familie heel erg belangrijk, maar zijn geen traditionele Molukse familie, in die zin dat je continue al je nichtjes en neven ziet en van alles met elkaar onderneemt. Dat is er wel binnen de familie, maar daar maken wij geen onderdeel van uit. Wij zijn meer gericht op ons eigen gezin en onze eigen vriendschappen. We hebben altijd contact met elkaar en houden elkaar over van alles op de hoogte. Marc, noemt me weleens familieziek, maar nu ik erover nadenk is dat ook typisch Moluks denk ik. Ik had vroeger een ‘witte opa en oma’ en een ‘bruine opa en oma’ en daar ben ik zó trots op! De verschillen tussen mijn opa’s en oma’s waren best groot. Mijn witte opa en oma hebben twee kinderen en vier kleinkinderen. Ze pasten veel op ons en lieten ons vrij in ons denken en doen. Mijn witte oma naaide bijvoorbeeld de RMS emblemen op mijn spijkerjasje en streek de letters van Seram op mijn spijkerrok, zegt ze glimlachend. De band met mijn bruine opa en oma was heel anders. Zij hadden veel meer kleinkinderen, 15 stuks, en waren veel strenger. Mijn opa en oma van moeders kant, sprak ik aan met ‘je’ en bij opa en oma Walakutty dacht ik daar niet eens over na en was het altijd U! De band met mijn bruine opa en oma was dus anders, maar wel heel goed. Marc en ik hebben in het begin van onze relatie zelfs een tijdje bij mijn opa en oma gelogeerd. We zochten toen een plekje om te wonen en opa en oma vingen ons tijdelijk op. De drie maanden dat we daar hebben gewoond, was een supermooie tijd. Ik was constant samen met hen. De avonden waren knus en bestonden uit samen met oma en opa naar ‘Onderweg naar morgen’, ‘Bingo’ en ‘Goede tijden Slechte tijden’ kijken. Marc heeft in die periode ook echt een band opgebouwd met mijn opa, ondanks dat mijn opa niet veel anders tegen hem zei dan ‘eten, eten, eten en dik, dik dik!’ haha! Zijn Nederlandse vocabulaire was niet meer zo heel uitgebreid, maar de band was daarom niet minder. Ze waren zo zorgzaam en lief.

 

DE MOLUKSE SCENE

Mijn naam, Aisha, is Arabisch en ik werd op school dan ook door alle Marokkaanse moeders in het Berbers aangesproken. Dan moest ik weer uitleggen dat ik geen Marokkaan ben. Dat maakte mij eigenlijk nog Molukser in mijn Moluks zijn.

Toen ik zeven jaar was, vroeg tante Door Pelupessy mij en mijn vader; ‘Doe je nog niet aan Menari?’ Panus, breng je dochter naar Buah Hati. Vanaf toen reed ik elke vrijdag op mijn fietsje van de ene kant van Tiel, naar de Molukse stichting Buah Hati, om met Menari bezig te zijn. Wij woonden niet in de wijk en Menari was voor mij dan ook dè manier om contact te maken met mijn Molukse roots.
Later kwam ik op een basisschool terecht tegenover de Molukse wijk en hierdoor kwam ik toen helemaal in de ‘Molukse scene’. Op mijn nieuwe school was de helft van mijn klas Moluks. Ineens had ik een hele grote vriendengroep! Toen we aan het einde van het schooljaar naar Beusichem verhuisden, wilde ik absoluut niet van school wisselen. Ik ben toen elke dag met de bus van Beusichem naar Tiel gereisd om naar school te gaan. Zelfs toen we later naar Culemborg verhuisden bleef ik op de basisschool in Tiel. Ik ging toen als elf-jarige  met de trein naar de basisschool. Gewoon, om onderdeel te blijven van de vriendengroep die ik daar had en de Tielse Molukse gemeenschap. Vroeger wou ik ook bij de Sukarella en liep ik altijd in het zwart gekleed met mijn kisten aan en mijn Ikat-sjaal om. Later schreef ik over Paradijsvogels en Tanah Airku. Ik was heel erg onderdeel van de Molukse samenleving en was daar ook fanatiek in. Onder de jongeren leefde sterk de wens om ‘terug naar de Molukken te gaan’.  Waarom weet ik eigenlijk niet. Terugkeer naar de Molukken en de RMS werden heel erg geromantiseerd. De moeder van mijn vader, oma Lo, stond daar heel anders in. Zij kwam in Nederland en zei; “Je moet je aanpassen aan de situatie zoals hij is. We kunnen allemaal heel erg boos zijn, maar we kunnen ook allemaal naar onze toekomst kijken, realiseren dat we hier zijn en dat betekent dat je Nederlands moet spreken.” Zij sprak tevens Engels en heeft altijd bruggen gebouwd tussen de Nederlandse en Molukse maatschappij. Ze zat ook bij het Leger des Heils en kon op die manier heel veel mensen bereiken. In het begin van de pubertijd stond ik echt achter de RMS en droeg ik dit ook echt uit. Maar op een gegeven moment ga je naar school, ga je studeren en begin je jezelf zaken af te vragen: Hoe kan de RMS opgezet en behouden blijven op de Molukken? In hoeverre zijn Molukkers op de Molukken ermee geholpen? En wat kunnen we als Molukkers in Nederland daar betekenen?” Opzetten lukt meestal heel goed, maar echt in stand houden? Moeten wíj dat doen, of moeten de mensen van daar dat juist zélf doen?  De politiek kwam wat verder van me af te staan. Je wilt het gewoon goed doen op school, je wilt presteren en dan kom je ook in de realiteit terecht, je bent hier. Tuurlijk kun je terug naar de Molukken, maar zoals oma al zei is hier de toekomst. 

 

VAN HALFBLOED NAAR DUBBELBLOED

We zijn niet echt Moluks, maar juist heel erg Nederlands opgevoed. Zo hebben we geen Maleis gehad thuis, de focus lag echt op ons Nederlandse taalgebruik. Tot vervelends aan toe werden we door mijn moeder gecorrigeerd op ons Nederlands taalgebruik, maar dat heeft me wel heel ver gebracht. Wij kwamen door oma Lo vaak bij het Leger des heils, we hebben dus nooit bij de GIM of GPM gezeten. Ik ging weleens mee naar speciale gelegenheden, maar was verder niet betrokken bij de Molukse kerk. Mijn zusjes en ik werden altijd erg vrij gelaten in het verkennen van onze Molukse roots.
Ik kwam zelf met vragen over mijn Molukse achtergrond, in plaats van dat mijn vader dat aan ons vertelde. Het enige dat ik wel echt meegekregen heb is dat ik met mijn vader meeging naar begrafenissen en condoleances omdat ik de oudste dochter ben. Mijn twee jongere zusjes hoefden dat niet. Papa en ik gingen overal naartoe en overhandigden de enveloppen. Dat vind ik heel mooi om meegemaakt te hebben.
Ik heb me vroeger weleens minder Moluks gevoeld, omdat ik ‘maar’ half Moluks of een halfbloedje was. Maar waarom noemen mensen me een halfbloedje? Alsof ik maar half Moluks ben? Dat ben ik helemaal niet. Op een gegeven kwam ik de term ‘dubbelbloedje’ tegen en die vond ik veel leuker! Ik ben Moluks én Nederlands, ik heb gewoon het beste van twee werelden! Zo ben ik het gaan zien, maar dat heeft wel tijd gekost. Misschien vind ik het daarom zo belangrijk dat mensen zichzelf kunnen zijn, omdat ik zelf die strijd heb gevoerd. Onze dochter is ‘nog maar’ een kwart Moluks, maar dat kwartje Moluks zegt níets over hoe Moluks zij zich mag voelen. Door Menari heb ik altijd direct contact gehouden met mijn roots en daar ben ik altijd trots op gebleven. Als het even kan gaan mijn Sarong en Kabaya weer aan. Ik dans al 22 jaar! Nu heb ik zelf een dochtertje en laatst realiseerde ik me dat ik dan gewoon met haar samen Menari kan gaan dansen zoals ik dat vroeger heb geleerd. Mijn oma Lo heeft vroeger Menari aan tante Au Manuhutu geleerd, tante Au heeft het aan mij geleerd en ik leer het nu weer aan anderen en straks hopelijk ook aan mijn dochtertje. Dat is echt mooi. Dus nu, juist nu ik moeder ben gaat het Moluks zijn weer meer voor mij leven. 

 

MIJN MOLUKSE ASSETS

Ik werk bij een internationaal georiënteerd bedrijf en heb klantencontacten van Canada en Amerika, tot aan Australië. Ik kan het beste overweg met Amerikaanse en Aziatische klanten en ik doe dit het beste in Maleisië, haha!  Dat is grappig, want dan zie je toch dat je roots een belangrijke en sterke asset kunnen zijn binnen een bedrijf dat internationaal actief is. Ondanks dat je niet opgegroeid bent in Azië  zit het toch in je karakter; altijd vriendelijke lachen, altijd geduldig zijn, niet zomaar ‘nee’ zeggen en als het toch ‘nee’ is kijken of er andere oplossingen zijn. Dat is wel supergaaf dat je dan collega’s hebt die niet makkelijk door een deur kunnen met een Aziatische klant, jij het contact overneemt en je het vervolgens samen hebt over je vakantieplannen en je elkaar toch ooit wilt ontmoeten, vanuit Kuala Lumpur en hier in Nederland.
Ik heb zelfs met één van mijn Maleisische klanten intensief in het Maleisisch en Nederlands gemaild, omdat zij graag Nederlands wilde leren en ik mijn Maleis wilde oefenen. En het Maleis in Maleisië heeft veel raakvlakken met het Maleis dat op de Molukken wordt gesproken. Dus als ik haar met haar collega’s hoorde overleggen, herkende ik gewoon de woorden, haha! Moluks zijn is mijn Unique Selling Point en dat is zelfs met mijn Arabische naam zo! Ik heb inmiddels zoveel contacten in het Midden Oosten, India en Azie en dan is mijn naam ideaal. Want mijn Arabische voornaam in combinatie met mijn achternaam Walakutty, een naam die zelfs in India voorkomt, blijkt een echte ijsbreker. Tegenwoordig ben ik dus héél trots op mijn naam. 

Tegen jongeren die eenzelfde baan ambiëren wil ik zeggen: Geloof in jezelf! Geloof in je kunnen en niet in je grenzen.  Wees zeker van jezelf en van je zaak, ga heel ver door, maar weet wanneer je moet stoppen. Weten wanneer je moet stoppen is heel moeilijk, maar dat moet je leren. Wees loyaal, aan maar één iemand en dat is aan jezelf en niet aan het bedrijf. Carrière is heel belangrijk, maar weet dat er meer is in het leven.
En het allerbelangrijkste, ik zeg dat zelf ook altijd tegen iedereen inclusief mijzelf: hoe goed je het ook naar je zin hebt, of hoe naar je je werk ook vindt, blijf áltijd kwaliteit leveren, want dan kun je daar niet op aangesproken worden. Dus áls je iets doet, doe het dan goed, of doe het niet. ‘


3 puntjes op de I…

Wat is de reden dat jij je inzet voor Bangsa! ?

‘Ik voel me vereerd! Het is superleuk om gevraagd te worden en misschien heeft iemand wel iets aan de dingen die ik heb meegemaakt. Hoe fijn is het als je uit één portret iets kunt halen waar iemand anders 11 jaar over gedaan heeft om te leren? Dat is toch mooi?
Toepassen is soms heel moeilijk maar het is wel belangrijk om dingen van anderen te leren. En misschien inspireer ik wel iemand! Ik ben zelf zo vaak geraakt door anderen. Dus misschien kan ik wel een ienie-mini verschil maken voor een ander, door dit te doen! 
Dat het voor een Moluks platform is, maakt het extra leuk omdat het in gemeenschappen vaak zo is dat je alleen maar ziet wat je buurman doet en dat is dan je beeld van ‘normaal.’ En dan is het ook fijn om te zien hoe iemand anders het doet, om iemand te zien die niet in de Molukse wijk is opgegroeid, om gewoon te zien hoe andere generatiegenoten, of hoe andere BANGSA het doen. Dat is toch leuk om te weten? Vragen gebeurt zo weinig en hoe kom je er anders achter? ‘
 

Welke Molukker zou je graag ontmoeten en wat zou je hem of haar willen vragen als je  slechts 1 vraag mocht stellen?

Ik zou graag met Oom Simon Tahamata in gesprek willen gaan. Ik zou hem weleens willen vragen hoe hij zich staande heeft gehouden in die blanke ‘Old boys club’’ en hoe hij gebruik heeft gemaakt van zijn roots. Ik vond het ook zo grappig, want toen ik met hem connecte op LinkedIn was het meteen “Wie ben jij? Wie is je vader, wie is je moeder? Oh die ken ik wel!” En dat vind ik altijd zo mooi aan Moluks zijn, je bent nooit alleen! Je hebt altijd familie, vrienden. Van je ouders, ooms en tantes. Wij zijn BANGSA’

Wat wil je graag de volgende generatie meegeven? 

‘Wees niet jaloers op anderen. Een ander is jou niet en jij bent niet die ander. Ik merk vaak dat er jaloezie en afgunst is onder Molukkers of dat loyaliteit in de weg staat. En waarom? We zouden juist moeten samenwerken en samen sterk moeten staan. Doe het sámen! Laat soms wat oude gewoonten los om nu samen iets te doen. Verzamel samen nieuwe energie, wees niet jaloers op elkaar, maar maak er samen het beste van. Til het samen naar een nieuw niveau.  We hebben vaak zulke goede ideeën, maar dan gebeurt er niets mee. Deel de dingen samen, dan ben je veel sterker.
Dat zou ik heel graag heel hardop willen zeggen: SAMEN!.’

deb