fullsizeoutput_1fec.jpeg

Thyrza Pattij

Militair Arts

Mijn thuis is waar mijn familie is

‘Ik vind studie en carrière erg belangrijk en dat is de reden dat ik veel gestudeerd heb. Maar mijn roots en mijn familie zullen altijd op nummer één staan. Op avontuur gaan, nieuwe dingen ervaren en werken, ik hou ervan. Toch ben ik blij als ik weer terug kan keren naar thuis. En thuis is niet mijn huis, maar mijn familie. Mijn familie zegt wat ze vinden, ongenuanceerd en eerlijk. Ook al is het niet altijd leuk om te horen, het is voor mij een reality check. Wij hebben het beste met elkaar voor en zwijgen nooit om elkaar te sparen. Bij mijn familie kan ik helemaal mezelf zijn. Dat is misschien wel het meest Molukse aan mij.’
Thyrza Pattij is 30 jaar en komt uit Culemborg. Sinds haar studie Geneeskunde woont ze in Utrecht. Ze werkt als Militair Arts bij de Koninklijke Luchtmacht en afgelopen jaar is ze uitgezonden geweest naar Irak. 

 

Smeltkroes aan culturen

Mijn familie is een echte megamix; mijn opa Odi is Moluks en komt van kampong Ullath, mijn oma Mia is Javaans. Mijn vader is half Javaans/ half Moluks en mijn moeder Nederlands. Ik ben de dochter van Tinus Pattij en Petra Pattij – Mikkers. Ik heb een jonger broertje Ayrson en een jonger zusje Rahkya. Mijn vader houdt van stamppot en broodjes kaas en mijn moeder heeft Javaans en Moluks leren koken van oma. Mijn ouders hebben dus veel van elkaars culturen overgenomen.
Toen we in Indonesië waren was het mama die begon te praten tegen de taxichauffeur. Vier bruine mensen in zijn taxi en uitgerekend die Belanda begint te onderhandelen over de prijs en in het Maleis ook nog! 
Mensen vragen altijd; ‘Waar kom je vandaan?’ Dat is heel lastig, want ik ben voor de helft natuurlijk gewoon Nederlands dus ik kom híer vandaan. Maar ik zeg automatisch “Ik ben Moluks” want dan snappen mensen waarom mijn ogen en haar donker zijn en ik bruin ben.
Als ik zeg dat ik Moluks ben, heb ik soms het gevoel dat ik mijn Nederlands zijn een beetje aan de kant schuif. Terwijl ik ook trots ben dat ik Nederlandse ben. Mijn moeder is Nederlandse en ik heb ook veel van haar meegekregen. Ik ben de oudste van het gezin en erg beschermend en betrokken naar mijn broertje en zusje.
Mijn broertje woont tegenover mij en dat is zo relaxed! We delen huissleutels en zien elkaar heel veel. Samen eten, sporten of bij elkaar op de bank liggen. Voor mij is dat heel normaal.
Mijn zusje woont sinds kort op zichzelf in Culemborg. Als ze bij mij is en weggaat zeg ik altijd ‘Laat je me even weten als je thuis bent?’ Ook al is ze volwassen, als oudste blijf je zorgen.
Ik woon al twaalf jaar op mezelf, maar toch kom ik graag elke week een keer bij papa en mama eten. Ik zie ze dan ook heel vaak. Voor mij is dat heel erg belangrijk. De culturen van mijn ouders zijn met elkaar versmolten, er is geen duidelijk onderscheid te maken in wat er precies Javaans, Moluks of Nederlands is. Mijn ouders, broertje, zusje en ik horen bij elkaar, we hebben een eigen cultuur. Daarom heb ik nooit het gevoel gehad dat ik nergens bij hoor. Ik weet mijn plek binnen het gezin en daar hoor ik thuis. 


Oh!, jij bent er ééntje van…

Ik ben in de Molukse wijk opgegroeid. We zijn er gaan wonen toen mijn jongste zusje werd geboren, ik was toen zes jaar. Daarvoor woonden we  aan de andere kant van Culemborg. Wonen in de wijk wende al snel want opa en oma woonden een straat verder. Vaak rende ik door het steegje even naar hen toe om te eten of snoepjes te halen.

Op de basisschool waar ik zat, waren er nauwelijks Molukse kinderen, waardoor ik ook weinig contact had met de kinderen uit de wijk. Mijn broertje speelde vaak buiten, hij ging dan voetballen met de jongens. Ik fietste weleens op het pleintje maar meer dan dat niet. Er waren weinig meisjes van mijn leeftijd, de meesten waren twee jaar ouder. Als je jong bent, is dat best een groot verschil. Die meisjes hadden een kliekje en als je daar niet bij hoorde, kwam je er ook niet echt tussen.  Dat maakte mij niet zoveel uit. Ik had mijn eigen vriendinnen van buiten de wijk en deed dus niet erg mijn best om erbij te horen. Het grootste gedeelte van de tijd zat ik echter binnen, studeerde ik en deed dingen in huis.
Vroeger was de sfeer in de wijk heel open en hecht. Iedereen kende elkaar. Met mooi weer zaten de mensen in hun voortuin en begroette je iedereen op straat. Er hingen touwtjes uit de voordeur zodat je zo bij elkaar naar binnen kon en met oud en nieuw liepen we allemaal traditioneel een rondje wijk om elkaar gelukkig nieuw jaar te wensen. Dat is tegenwoordig heel anders. 
In die tijd vroegen ooms en tantes bijvoorbeeld, wie zijn jouw vader en moeder? En als ik antwoord gaf, was er een blijk van herkenning. Nu zou ik dat niet zo gauw meer aan kinderen vragen. Wel wat hun achternaam is, of van wie ze familie zijn, maar echt zo van:  “Oh!,  jij bent er ééntje van… En wie zijn jouw opa en oma?” niet meer. Die vragen worden niet meer gesteld. Er is veel veranderd maar zelf verander je natuurlijk ook. Ik ben op mijzelf gaan wonen en mijn eigen leven gaan leiden.


Wanderlust versus Nerdy

‘Er zijn mensen die al hun hele leven lang dokter willen worden, maar zo iemand ben ik dus niet!’ vertelt ze lachend.  ‘Na mijn VWO wist ik ook helemaal niet wat ik wilde gaan doen, ik dacht aan een studie Scheikunde of Life Sciences. Een vriendin van me wilde Geneeskunde studeren en ik dacht laat ik eens met haar meegegaan naar de open dag. De studie leek me wel leuk, dus ik schreef me in en werd tot mijn verrassing direct bij de eerste keer al ingeloot. Ik ging studeren aan de Universiteit van Utrecht en ben toen meteen op kamers gaan wonen. Werken in het buitenland heeft me altijd al aangetrokken. Ik vind het heel interessant om kennis te maken met andere culturen, er meer over te leren en te zien hoe ze Geneeskunde in andere landen toepassen. Ik heb Oogheelkunde gedaan in Kuala Lumpur, het jaar daarna ben ik naar Peru gegaan om daar drie maanden Sociale Geneeskunde te studeren en in mijn laatste avontuur in het buitenland ben ik Spoedeisende Hulp gaan doen in Adelaide, dat ligt in Australië. Hoewel ik tussen mijn stages door heel veel heb gereisd, is het mij gelukt om alle studies in één keer te halen. Je zou mij echt een mega nerd kunnen noemen’ zegt ze lachend.
Na mijn stage in Kuala Lumpur heb ik gebackpacked door Azië. Wat was dat fijn! De geuren deden me heel erg denken aan oma’s keuken. De mensen, de taal, het was allemaal zo herkenbaar. Het voelde als een soort van thuis.
Ik ben twee keer naar Indonesië geweest. Vorig jaar was ik er samen met mijn ouders, broertje en zusje. We zijn toen naar Java geweest, waar oma vandaan kwam.
Het was echt bizar, want we waren in oma’s ouderlijke huis en dan zie je kinderfoto’s van jezelf en trouwfoto’s van je tante. Oude foto’s van papa en mama toen ze net verkering hadden, ze staan dan daar allemaal gewoon in de kast, zo gek!  Het idee dat oma daar is opgegroeid en als klein meisje heeft rondgehuppeld, daar haar spulletjes heeft verkocht op de markt. Ik vind dat erg bijzonder en vooral leuk om te zien. Ik ben nog niet op Maluku geweest, maar zou ik wel heel graag willen. Wel met mijn ouders natuurlijk, want zo goed ken ik de taal nog niet. Voor mij is naar Maluku gaan hetzelfde als naar Java gaan; ik kan dan zien waar mijn opa is opgegroeid, in wat voor huis hij woonde en waar hij in zijn bootje zat op zee.


All in the family

Mijn opa en oma leven niet meer, maar we hebben als familie nog steeds veel contact. Af en toe organiseren we een Neven en Nichten dag en vieren we Sinterklaas. Ik weet van mijn vader dat ook hij met zijn broers en zussen afspreekt. Ondanks dit alles is het niet meer zoals vroeger toen iedereen bij elkaar kwam bij opa en oma.

Tegenwoordig onderhoud de nieuwe generatie op een andere manier contact. Zo appen mijn nichtjes en ik berichten en foto’s naar elkaar en weten we toch een beetje waar iedereen mee bezig is. Mijn nichtjes zijn als zusjes voor mij. We hebben maar één blik nodig, het is 100% vertrouwd. Een van mijn nichten met wie ik heel veel contact heb is sinds kort moeder geworden. Het is zó bijzonder om dat van dichtbij mee te maken. Mijn nicht als moeder!
Mijn Nederlandse familie is ook heel hecht. Mijn moeder gaat nog steeds elke zondag naar haar broers en zussen. En vroeger gingen we ook weleens samen met elkaar op vakantie.
Ik voel me in beide families thuis, maar bij elk op zijn eigen manier.
Bij mijn Molukse tante zou ik bijvoorbeeld gewoon de koelkast opentrekken en er dingen uithalen, maar dat zou ik bij mijn Nederlandse tante nooit doen. Terwijl ik bij mijn Molukse familie gewoon op de bank ga liggen en in slaap val als ik moe ben, blijf ik bij mijn Nederlandse tante netjes rechtop zitten hoor! Dat zijn de kleine verschillen.


Zelf kleur geven aan Moluks zijn

Vroeger gingen we met oma regelmatig naar de kerk. Op zondag, met Kerst en Oud & Nieuw, naar de kerk gaan hoorde er echt bij. We moesten dan op tijd van huis vertrekken, anders was er door de drukte geen plek meer om te zitten! Het was fijn om samen naar de kerk te gaan. Ik herinner mij de kerkbanken, het geritsel van snoeppapiertjes en dat we zo stil mogelijk probeerden te zijn! Nu oma er niet meer is, ga ik veel minder.
Papa heeft in de Kerkraad gezeten, maar het lijkt tegenwoordig helemaal uit elkaar te vallen. De kerk is niet vernieuwend. Er wordt weinig gedaan om de jongere generatie te houden en aan te trekken, ik vind dit zo zonde! Ik hoorde van papa dat er regelmatig meer Kerkraadsleden in de kerk zitten dan mensen van de gemeente. Alleen met Kerst en Oud & Nieuw zit de kerk vol.
Mijn vader zei altijd, ‘Dopen is wat wij als ouder voor jullie doen, belijdenis moeten jullie zelf kiezen’. Noch je ouders noch je omgeving maar jíj als persoon moet besluiten dat je als volwassene lid wordt van de kerk. Ik had op dat moment geen behoefte aan. Naar mijn gevoel vinden mensen in de wijk dat je het op een bepaalde leeftijd belijdenis móet doen, omdat dat zo hóórt als je Molukker bent. Ikzelf sta daar anders in, ik hou er niet van om dingen te doen omdat mensen vinden dat het zo ‘hoort’, zonder dat je er daadwerkelijk achter staat. Op dat moment had ik geen behoefte om belijdenis te doen en gooide dan ook mijn kont tegen de krib en heb ervoor gekozen om geen belijdenis te doen.
Ik denk dat iedereen zijn culturele identiteit op zijn eigen manier mag vormgeven en dit hiermee ook genoeg moet zijn.

Ik ben niet minder Moluks als ik niet met een jas loop met de Molukse vlag erop. Mijn auto heeft ook geen sticker met de Molukse vlag erop, dit kom je soms weleens in de wijk tegen. Dat vind ik prima, maar dat past niet bij mij, dat maakt mij niet minder Moluks.
Ik heb niet veel met de RMS. Dat hebben mijn ouders eigenlijk ook niet. Het leeft niet zo in mijn familie. Waarschijnlijk heeft dit ook te maken gehad met mijn oma. Papa heeft weleens verteld dat toen hij een klein jongetje was, hij heeft geroepen: RMS, dood aan Indonesiërs! Mijn oma reageerde hierop door te zeggen dat zijzelf ook Indonesisch is. Mijn vader realiseerde zich toen dat hij met zijn uitspraak dus eigenlijk zijn moeder dood wenste. Ik denk dat mijn oma’s kinderen door het ‘gemengde huwelijk’ van mijn oma en opa veel gematigder zijn geworden omtrent de RMS en dat wij dit van hen hebben overgenomen. We gingen niet naar Den Haag en hingen op 25 april ook de vlag niet uit.
Toen we geslaagd waren hadden we wel een RMS vlag hangen, maar misschien is dat ook wel een beetje omdat het in de Molukse wijk een beetje gek is om de Nederlandse vlag buiten te hangen als je geslaagd bent. Daar hadden we dan wellicht commentaar op gehad.’ lacht ze.
‘Nogmaals het is echt niet zo dat je pas een echte Molukker bent als je belijdenis hebt gedaan en met een RMS vlag rondloopt. Als ik als militair salueer, is dat naar een Nederlandse vlag toe, maar ik voel geen diepe verbondenheid met expliciet de Nederlandse of RMS vlag. 

Bepaalde typisch Molukse dingen neem ik juist wel met me mee. Ik zou bijvoorbeeld niet gauw een relatie aangaan met iemand die pela is. Papa heeft van kleins af aan tegen ons gezegd dat we altijd moeten vragen naar waar iemand vandaan komt, je kunt namelijk écht niet met een pela trouwen. Er zijn wel verhalen van mensen die getrouwd zijn met hun pela, het kan dus blijkbaar wel. Ik zou er met een hele neutrale blik naar moeten kijken en de voor- en nadelen moeten afwegen, maar ik voel toch een drempel. Zo heb ik het nu eenmaal van mijn vader geleerd
Dat is hetzelfde als het aanspreken van ouderen. Die spreek je aan met oom, tante en u.
Ik heb tantes en ooms van mijn moeders kant en uwa’s en wate’s van mijn vaders kant.  Dat is voor mij normaal. Ik zou echt nooit ‘Tante Nona’ zeggen, het is gewoon ‘Uwa Nona’. Tante zeggen voelt al heel vreemd. De persoon die ik ben, is opgebouwd door verschillende culturen. Ik ben wie ik ben en doe wat ik wil. Ik hoef niet continue te onderscheiden wat Nederlands, Indonesisch of Moluks is. Ik ben er geen één, ik ben ze allen.


Avonturier in de medische wereld

Na mijn studie Geneeskunde dacht ik dat ik chirurg wilde worden en ben als arts-assistent op de afdeling chirurgie in Hilversum gaan werken. Op mijn vierentwintigste kreeg ik ineens de verantwoordelijkheid over mensenlevens! Dat gaf mij veel stress. Ik werkte 80 tot 90 uur per week en het werktempo lag verschrikkelijk hoog. Op de spoedeisende hulp was het soms zó druk dat ik teveel patiënten tegelijk had. Al iemand tegen me zei ‘mevrouw die- en die-‘ wist ik gewoon niet over wie het ging. Ik herkende patiënten aan hun klacht, dus het werd mevrouw ‘De voet’, meneer ‘De schouder’ enzovoorts. Dat was zo onpersoonlijk!
Ik vond het werk geweldig, maar het was mij teveel en ik merkte dat ik me niet prettig voelde bij de sfeer die er hing. Als ik bijvoorbeeld een patiënt had die thuishoorde bij een andere specialist, kreeg ik die daar niet zomaar ondergebracht. Niemand wilde een nieuwe patiënt opnemen dus je was een soort lobby aan het voeren om een patiënt bij een collega opgenomen te krijgen. Waar ik gewend was om samen te werken om iemand beter te maken, was die werksfeer er daar totaal niet.
Ik was doodongelukkig in mijn werk en het scheelde dan ook niet veel of ik had een burn-out gekregen.
Na het jaar Chirurgie besloot ik iets totaal anders te gaan doen. Ik hou van avontuur en het verleggen van mijn grenzen, dus ik ging het leger in. Binnen Defensie heb ik verschillende opleidingen gevolgd. Ik heb een twee-jarige opleiding tot Militair Arts gedaan, dat bestaat uit verschillende onderdelen. Een beetje Huisarts, beetje Spoedeisende Hulp en je krijgt ook vakken als Forensisch Geneeskunde, Bedrijfsgeneeskunde, Psycho – Sociaal, Sportgeneeskunde en Revalidatiegeneeskunde.
Daarna heb ik nog opleidingen gedaan om Vliegarts te worden en Medevac- arts te worden, dus patiënten vervoeren in helikopter of vliegtuig en het keuren van piloten.
Ik werk nu als Militair Arts. Dat vind ik superleuk, ik mis het ziekenhuis helemaal niet.
Als Militair Arts stap je echt uit je comfortzone en doe je dingen die een ‘gewone’ dokter niet zou doen. Ik lig met een groep collega’s met complete bepakking in het bos, krijg schiettrainingen en dobber uren op het IJsselmeer voor een sea survival, maar draai ook gewoon spreekuur op de basis. Nu ben ik bijvoorbeeld net teruggekomen van vijf maanden Irak.

 

Bermbommen en selfies

Ik was de enige arts binnen de groep. Bij elke trip buiten de poort moest ik dus mee, volledig bepakt met monitors, stretchers, acute tas, mijn vest en wapens. Iedere keer in een ander team, met andere werkzaamheden. Op verkenning, ondersteuning bieden, gegevens in kaart brengen. Ik kwam vaak in gebieden waar ze überhaupt niet gewend waren aan een vrouw in een uniform, dus ik heb superveel selfies moeten maken met de plaatselijke bevolking! zegt ze lachend.
‘Ik had geen echte functie, ik moest gewoon beschikbaar zijn. Want als we daar op een bermbom zouden rijden, had ik ineens alle medische functies tegelijk! En dan maar hopen dat ik zelf niet gewond raak, want dan hadden we pas echt een probleem!
Binnen de meeste militaire groepen zijn wel meer vrouwen werkzaam, bijvoorbeeld als verpleegkundige. Maar in deze groep was ik de enige vrouw. Vijf maanden lang als enige vrouw op een kamp dat zo groot is als een postzegel, is zwaar. Je ligt enorm onder een vergrootglas. Mensen houden je in de gaten, praten over je en geven je soms meer aandacht dan prettig is. Dat zijn dingen waar je mee om moet leren gaan. Gelukkig was er nog een andere groep Nederlanders waar ook een aantal vrouwen actief waren. Als we in dezelfde plaats waren, gingen we altijd even koffie drinken. Het contact met vrouwen is toch anders en het is fijn als je de rest van de tijd ‘one of the guys’ bent.
Je hebt ook een zekere mate van professionaliteit nodig. Tijdens mijn uitzending ben ik 24/7 dokter geweest, zonder een moment dat ik naar huis kan gaan en kan ontspannen. Het vergt veel van je.

 

Nederland is een van de beste landen waar je kunt wonen

In mijn eerdere reizen had ik ook weleens armoede van dichtbij gezien, maar de armoede die ik in Irak tegenkwam was extreem. Het hele land ligt compleet in puin, er staat bijna niets meer overeind. Het meest aandoenlijk vind ik de kinderen die daar rondlopen of met een blikje aan het voetballen zijn. Dan ben je vier jaar oud en dan loop je door de brokstukken naar het tentje waar je in slaapt omdat je huis kapot is. Je hebt geen kansen in het leven, je kan niet naar school. Dat vind ik echt heel erg.
Wij hebben geen hele heftige dingen meegemaakt, maar ik moest wel even wennen toen ik thuis was. Tijdens een wandeling met mijn zusje stapte ik per ongeluk met mijn voet in de berm. Ik schrok enorm! Het duurde even voordat ik me bedacht dat ik hier zorgeloos kan lopen omdat hier geen bommen in de berm liggen. De eerste week was ik constant alert, maar het is bizar hoe snel je weer went aan zaken als water uit de kraan, een warme douche, een zacht bed en die overvloed aan eten.
In de laatste week dat we in Irak zaten, fantaseerden we over thuis. Wat zouden we gaan eten? Wat zouden we als eerste gaan doen als we thuis waren?
Hierover praten en fantaseren voelde fijn, maar tegelijkertijd ook beschamend. Wij kunnen weg uit deze ellende, naar een plek waar alles is en dit, deze hel op aarde, is voor de mensen die hier wonen hun wereld en realiteit. Het ergste was dat iedereen die je sprak van de lokale bevolking iemand had verloren aan deze oorlog. Ik ben zo blij dat we hier in Nederland wonen. Eén van de meest veilige landen in de wereld. Dat we alles hebben om een comfortabel en gezond leven te kunnen leiden. Nederland is echt mijn thuis en ik ben daar trots op. Het is een van de beste landen waar je kunt wonen.


Dokter Pattij

‘Als ik ooit ga trouwen, hou ik mijn eigen Molukse achternaam!’ zegt ze lachend.
‘Ik ben dokter Pattij en daar heb ik hard voor moeten werken. Ik heb zes jaar VWO gedaan, zes jaar Geneeskunde, twee jaar de opleiding tot Militair Arts en nu ga ik nog eens drie jaar studeren om Huisarts te kunnen worden. Uiteindelijk zou ik het heel erg leuk vinden om over tien jaar uit dienst te gaan en mijn eigen Huisartsenpraktijk te starten. Wie weet heb ik tegen die tijd een gezin. Hoe fijn is het dan om op de fiets naar je praktijk te kunnen gaan en parttime te werken?
Mijn carrière advies aan anderen is dat je moet doen wat je leuk vindt. Je bent het grootste gedeelte van je dag met je werk bezig, dus zorg ervoor dat je het graag doet en er plezier in hebt. Ik zie genoeg mensen die werk hebben waar ze met tegenzin naartoe gaan. Daarnaast vind ik ook dat je moet durven kiezen. Veel mensen blijven vastzitten in een soort van veilig harnas en komen niet uit deze aangemeten comfortzone omdat ze nu eenmaal elke maand op deze manier hun rekeningen kunnen betalen. Durf iets anders te doen, durf lef te hebben om uit je comfortzone te stappen en iets anders te gaan proberen! Mijn vader vond het in het begin echt niet leuk dat ik Militair Arts wilde worden. Die zag mij veel meer voor zich als Chirurg, met een fijn inkomen en een grote auto. Ik moest hem ook duidelijk maken dat ik niet gelukkig was. Dat ik me helemaal kapot werkte en elke ochtend met tegenzin naar mijn werk ging. Misschien heb ik nu dan niet de meest prestigieuze baan -ik ben geen Chirurg-  maar ik ben wel een gelukkig mens. Dat is het belangrijkste in het leven.

 

3 puntjes op de I…


Wat is de reden dat jij je inzet voor Bangsa! ?

Ik vind het heel interessant, ik heb de andere interviews ook met zeer veel plezier gelezen. Toen ik het aanbod kreeg om aan Bangsa! mee te werken werd ik direct enthousiast. Ik vind het zelf ook interessant om over andere Molukse mensen te lezen die iets hebben bereikt of wat met hun leven hebben gedaan. Het is leuk om hieraan mee te doen en misschien kunnen we de nieuwe generaties inspireren en laten zien dat je écht kunt bereiken wat je wilt! 

Welke Molukker zou je graag ontmoeten en wat zou je hem of haar vragen als je slechts 1 vraag mocht stellen?

Ik zou Henry en Joshua Timisela weleens willen ontmoeten. Ze hebben een aantal theatershows gedaan die heel populair zijn. Ik zou ze graag willen ontmoeten en willen vragen wat hen gedreven heeft om dit te doen. Je ziet dat het heel erg aanslaat, ik zie het heel veel op Facebook. Voor mijn gevoel zijn ze heel succesvol en daarom ben ik heel erg benieuwd naar hun shows en hun visie.


Wat wil je graag de volgende generaties meegeven? 

Het vormgeven van je cultuur gaat in fasen, misschien heb je in de ene fase meer de neiging om er actief mee aan de gang te gaan, om vorm te geven aan wie je bent en heb je op andere momenten juist het gevoel dat je prioriteiten net ergens anders liggen en dat daar je energie naartoe moet gaan. Het is een flow en dat is goed.
Blijf bij jezelf en doe waar je je goed bij voelt. Er zijn geen regels over hoe je moet zijn. Wees trots op wie je bent en wat er allemaal bij hoort. Probeer je niet te identificeren met iets dat andere mensen vinden dat je moet zijn omdat je bij een bepaalde cultuur hoort, maar zorg ervoor dat jij je eigen invulling hieraan geeft. En het allerbelangrijkste is dat je er zélf er tevreden over bent!

deb